Omaatje is het zat.
Of danwel letterlijk geciteerd, ‘wil ze dood, maar lukt het niet zo’. Haar lijf is niet meer lief voor haar en oma’s mooie zilveren haren willen allang niet meer zo mooi in de krul blijven als daarvoor. Haar cynische grappen kleuren de klinisch witte ziekenhuismuren. Twee beterschapskaarten sieren de wand in een decor vol koetjes en kalfjes. Ik raak uit mijn voorraad koetjes en kalfjes, maar gelukkig weet oma er nog genoeg.

omaatje

Ze wil nu alleen echt gaan slapen. Ik zeg dat het goed is. Toe maar lekker. Haar ogen zijn rood. Langzaam draaien ze zich mijn kant uit.

“Had ik al gezegd dat ik er geen hol meer aan vind zo?”

De arts en een verpleegster komen haar kamer binnen. Op hun vragen glijden kleine woordjes prevelend langs haar droge lippen en ik lijk de enige te zijn die haar verstaat. De arts vraagt mij haar woorden te vertalen.
”Ik wil dood,” citeer ik mijn oma.
“Wilt u dood mevrouw? Sterven? Er mee ophouden? De behandeling stopzetten? Het leven beëindigen? Slechts de pijn bestrijden en overige levensreddende acties uitlaten?”
Ik vraag me werkelijk af hoeveel nadrukkelijk ge-ar-ti-cu-leer-de versies zij weet van sterven voordat de boodschap duidelijk is.
“Ja, toe nou.. Deze dame is op..” smeekt oma.

De arts overweegt nog wat foto’s te laten maken van haar ontstoken longen.
Een paniek straalt uit haar ogen. Een teer hoofdje schudt heen en weer.
“Ellen maakt altijd foto’s van mij..”

De arts verlaat de kamer, druk in overleg met de zuster over procedures in moeilijke Latijnse woorden. De moeilijke woorden van dokter en zuster vervagen inmiddels achter een deur en glijden onder het geluid van irritant klikkende hakjes de gang over. Als ik naar mijn oma kijk verbaas ik me hoe pijn en vermoeidheid een gezicht kunnen beschilderen en zou ik willen dat de dood toch een stuk simpeler zou mogen zijn. Alsof oma gedachten kan lezen, draait haar hoofdje zich weer naar mij toe.

“We kunnen ook zelf de stekker eruit trekken,” stelt oma met haar inmiddels vertrouwd geraakte cynisme voor.
Haar geleefde handen wijzen met kromme vingers precies aan welke stekker en ik dek haar koude handen maar snel warm toe onder haar deken.

Weer gaat de deur open. Een leerlingzuster uit de categorie ‘ik wil wel, maar kan het eigenlijk niet’ komt de kamer op en bezeert mijn oma verschrikkelijk met haar onhandigheid. Bij het plaatsen van mijn oma op de po blijft ze achter het infuus hangen. Ik blijk geen haar beter of handiger als ik toesnel en achter een stekker blijf hangen. De zuster wil haar kalmeren met behulp van haar zuurstofmasker, maar trekt het hele apparaat van de muur. Oma begint te huilen en tot de zusters totale paniek gaat ook nog haar pieper af waarvan ze de werking niet kent. Ik keer me beleefd doch dwingend naar de zuster toe; “Ga maar hoor, ik red het wel..”

Denk ik.

Hoop ik.

Twee geleefde handen om mijn arm verstrengeld. Het hoofd van een huilende oma in mijn nek gelegd.
“Kom Ellentje, we gaan naar huis.”
Ik lach alleen, aangezien woorden geen dienst meer doen.
Ze lacht zelf ook. Héél even.
“Wij amen zeggen, dan ga ik.”
Ik maak een mooie mantra van amen’s omdat de dood haar na een lange dappere strijd gegund is. Streel haar haar, kus haar voorhoofd en zeg dat het goed is zo. Na mijn zoveelste ‘amen’ opent ze langzaam haar ogen weer. Diepe zucht.
“Doodgaan lukt nog steeds niet..”

Na een lange middag ben ik dankbaar voor mijn momentje alleen met oma en laat ik langzaam haar handen los in de gedachte dat ‘het goed is zo’. Die dag zag ik voor het laatst de glimlach van mijn lieve oma. Ik kijk nog één keer om in de deuropening en hoor haar zachtjes iets over haar lippen prevelen.

“Allemaal kusjes voor jou Ellentje. Ga maar mooie foto’s maken, ik kom er zo aan.”

Voor oma, 17 februari 1916 – 19 maart 2008